Ga naar de inhoud
  • Nieuws

Voor de tempel, waar de mensen zijn Magie, marxistisch feminisme en Khadija El Kharraz Alami’s SHRINE

07.05.2026

Performancekunstenaar en schrijver Kopano Maroga sprak met Khadija El Kharraz Alami naar aanleiding van haar nieuwe voorstelling SHRINE. Het resultaat is een tekst die ons meeneemt binnen een gemeenschappelijke wereld, waar auteur en geïnterviewde elkaar bevragen over waar we vandaan komen, waar we naartoe gaan en wat ons verbindt.

Deze tekst is geschreven in opdracht van DE SINGEL.

Ik spreek met kunstenaar en geliefde medestander Khadija El Kharraz Alami via een wankele Zoomverbinding, dwars door de glanzende, glinsterende en – eerlijk gezegd – behoorlijk troebele wateren van een Mercurius retrograde in Vissen. Voor wie niet ingewijd is: Mercurius-retrograde is een astrologisch verschijnsel waarbij de planeet Mercurius, gezien vanaf de aarde, achteruit lijkt te bewegen. In de astrologie wordt deze periode geassocieerd met een omkering van de thema’s die Mercurius normaal vertegenwoordigt: communicatie, overdracht, cognitie. Tijdens een retrograde word je uitgenodigd eerder naar binnen dan naar buiten te keren: reflecteren, heroriënteren, heroverwegen. En hoe treffend dat dit in 2026 samenvalt met de christelijke vastentijd en de islamitische traditie van de ramadan. Allemaal gewijde periodes om naar binnen te keren. Om na te denken over iemands relatie met God, met Allah, met de Geest, met de anima mundi, het universum, het Zelf, de Ander. Om te zitten in gebed, poëzie en smeekbede. Vissen is het astrologische teken dat heerst over dromen, poëzie, het etherische, magie, waanzin en spiritualiteit. Je zou een Mercurius retrograde in Vissen tijdens de vastentijd en de ramadan dus kunnen zien als het perfecte moment om gewoon even te zwijgen en te luisteren naar wat God in – en misschien ook via – jou probeert aan te spreken. De heidense poëzie – het heilige gebed – dat als een hostie boven de tong zweeft. Een perfect moment om SHRINE te creëren.

Google vertelt me dat het woord

shrine etymologisch zijn oorsprong vindt in het Oudengelse scrīn: kast, kist, reliekschrijn. Dit hangt samen met het Latijnse scrinium: een kist voor boeken. Shrine: een plek om kennis te bewaren; een plek om iets op te slaan; een plek om iets veilig te houden; een plek om iets weg te houden. Dit is betekenisvol anders dan de etymologie van de enigszins synonieme term sanctuary: afgeleid van het Latijnse sanctus, wat heilig betekent – een woord waar ook het woord whole (geheel, heel) vandaan komt. A shrine keeps safe, a sanctuary makes (w)holy. Tangentialerwijs doet de etymologie van het woord shrine me denken aan een van mijn spirituele mentoren, Reverend Sushmita Mukherjee, en haar reflecties over de etymologie van het woord profaan:

 

Dit is profane tijd –
pro fanum: buiten de tempel.
Voor de tempel.
De grond waarop zij staat.

Latijn: pro = vóór, ervoor | fanum = tempel. Profanus = datgene wat buiten of voor de tempel staat. Mukherjee stelt in haar bovenstaande tekst dat het profane niet alleen gaat over wat ‘vulgair, smakeloos en alles wat het heilige niet is’, maar misschien ook een uitnodiging is om het heilige in het alledaagse en het alledaagse in het heilige te zien.

Mukherjee stelt dat de tempel een plaats van uitsluiting is. Een plek die gereserveerd is voor degenen die als heilig / geheel worden beschouwd of zichzelf als zodanig zien. Een plek die voor een deel wordt gedefinieerd door wie en wat er niet binnengelaten mag worden. Of, zoals Mukherjee het verwoordt:
Het heilige is bedoeld om afzijdig te blijven.
Onaangetast.
Precies zo.

En dan het voorplein:
De brede ruimte vóór de tempeldeuren
waar een mangoboom schaduw spreidt
voor de vermoeide pelgrim en de zwerfhond gelijkelijk.

Waar iedereen kan zitten.
Waar bedelaars hun kommen vasthouden
en kinderen spelen
en iemand zingt.

Dit is profane ruimte.

Geen speciale toestemming nodig.
Geen diploma’s vereist.
De grond die iedereen draagt,
die de tempel uitsluit.

Mukherjee vraagt vervolgens: “Wat als het alledaagse heilige grond is – het enige wat je hoeft te doen, is stoppen en kijken.” En hier wordt Alami’s praktijk misschien een uitvoerbaar voorbeeld van een heilige experimentatie met het profane.

“De relatie van poëtiek tot politiek stelt me in staat ongecensureerd te zijn.”
– Khadija El Kharraz Alami (in een interview met Kopano Maroga)

Alami’s werk schommelt voor mij tussen de assen van choreopolitiek, choreopoëtiek, het woord (als spraak, als tekst, als liturgie, als poëzie, als canon) en het profane. Alami provoceert niet alleen door multidisciplinariteit, maar ook door het syncretisme van meerdere epistemologieën. Anders gezegd: voor Alami, one wor(l)d is not enough! Ik herinner me dat ik als dramaturg samenwerkte met Alami aan haar voorstelling The Waves (het stuk dat haar fascinatie voor Silvia Federici initieerde en inspiratie vormde voor haar huidige werk SHRINE). The Waves put inspiratie uit Virginia Woolfs experimentele lyrische roman met dezelfde naam, waarbij de stemmen en perspectieven van zeven personages worden verweven in een niet-lineair tijdskader. Ik herinner me hoe Alami’s werk buiten het theater begon, met performancekunstinterventies van haar vier medepartners Lois Lumonga Brochez, Isabelle Houdtzagers, Musia Mwankumi en Merel Severs, geïnspireerd door performancepraktijken van vrouwen zoals Ana Mendieta: de Cubaans-Amerikaanse performer en beeldhouwster wiens tragisch vroege dood tot op heden een patriarchale schaduw werpt over de kunstwereld, en in het bijzonder over vrouwen in die wereld. Alami’s vier medepartners begeleiden het publiek naar het theater na hun activaties van openbare ruimte, geïnspireerd door performancekunst, waarbij we Alami zelf op het podium ontmoeten terwijl zij de ruimte voorbereidt voor onze aankomst. Een gedeconstrueerd banket met subtiele verwijzingen naar Alami’s Marokkaanse achtergrond: dadels en muntthee; fruit en zithoekjes op de grond; spaarzame stroken zijden stoffen verspreid tussen een handvol takjes. We zitten te midden van een samenvloeiing van werelden. Teksten geïnspireerd door Woolfs niet-lineariteit, poëtiek geïnspireerd door de activistische erotiek van Audre Lorde, een uitgestrekte en wervelende compositie van samengevoegde spraak en gepasticheerde choreografische voorstellen die op de een of andere manier voelen als een hedendaagse performance-interpretatie van de cultfilm The Craft uit 1996. Als hekserij de profane praktijk is om de middelen van de alledaagse wereld te benutten om paden naar het goddelijke te openen (en, misschien, vice versa: om God te doden en de hemel leeg te maken met Nietzscheaanse overmoed), dan is Alami’s performancewerk ongetwijfeld een voorbeeld van het ambacht van de heks: magie. En, als occultist Dione Fortune gelijk heeft wanneer ze zegt dat “Magie de kunst is om bewustzijn naar willekeur te veranderen”, dan is Alami een uitmuntende beoefenaar van de magische traditie die werkelijkheid verschuift door het bewustzijn te verschuiven.

“Ik probeer de werkelijkheid, of in ieder geval een weerspiegeling daarvan, te
          serveren op een schaal met zoetigheden… muntthee, dadels, koekjes, honing.
                                                                                                      En tegelijkertijd is er bloed.”
– Khadija El Kharraz Alami (in gesprek met Kopano Maroga)

De politiek van Alami’s werk is een directe reflectie van haar geleefde ervaring als Nederlands-Marokkaanse, queer, vrouw uit de arbeidersklasse. Een contradictie in termen voor haar tijdgenoten met de meer dominante en normatieve identiteiten van witheid, heteroseksualiteit, middenklasse en niet-duale nationaliteit. Alami omarmt het heks-archetype zoals het verschijnt in Federici’s werk: een dissidente, een arbeidster, een bron van extractie en onderdrukking, en tegelijkertijd een figuur met het potentieel om de wereld van mannen onherroepelijk te veranderen. In Caliban and the Witch: Women, the Body and Primitive Accumulation legt Federici het profane argument voor de tempel van de marxistische theorie: het marxistische analytische kader van primitieve accumulatie blijft onvoldoende zolang het geen genderanalyse van vrouwen als historisch onderdrukte en uitgebuite arbeidersklasse omvat. Bij wijze van definitie: primitieve accumulatie verwijst naar het fundamentele opeenstapelen van kapitaal door de heersende eigenaar-klasse via diefstal en massamoord, om zo de basis te vormen voor kapitalistisch bestuur. Dit proces van primitieve accumulatie werd uitgevoerd via brede vormen van brute kracht, zoals kolonialisme, binnenlandse en wereldwijde oorlogen, en in het algemeen door mensen te scheiden van hun eigen productiemiddelen (zoals land, arbeid, kapitaal en ondernemerschap), ten gunste van privatisering die arbeiders dwingt afhankelijk te zijn van lonen van de private eigenaar-klasse, in plaats van in staat te zijn direct te produceren wat zij zelf nodig hebben. Het is hier dat Alami’s geleefde ervaring en Federici’s voortbouwend op Marx in elkaar samenvloeien.

“Ik kwam tot het besef [over mijn moeder] dat zij eigenlijk geen moeder kon zijn…
                  als functie. Alles viel onder patriarchale regels: de vrouw blijft thuis, zorgt voor de
                  kinderen, verricht onbetaald werk, is financieel afhankelijk van haar echtgenoot…
              De overheid maakte het onmogelijk voor haar om een gescheiden en alleenstaande
                                                                                                                          moeder te zijn.”
– Khadija El Kharraz Alami (in gesprek met Kopano Maroga)

Een van Federici’s meest prominente argumenten in Caliban and the Witch bouwt voort op de kritiek op Marx’ analyse van de onderdrukking van vrouwen als een bijproduct of residu van feodale relaties. Federici betoogt daarentegen dat de basis van kapitaal, gerealiseerd door primitieve accumulatie, noodzakelijk afhankelijk is van de historische exploitatie van vrouwenarbeid in het huishouden. De historisch gegenderde rol van moeder en vrouw valt samen met de onbetaalde, reproductieve arbeid die zij in de huiselijke omgeving verrichten, door letterlijk kinderen te produceren die later deel zullen uitmaken van de beroepsbevolking (als betaalde mannen en onbetaalde of minder betaalde vrouwen), én door het creëren en onderhouden van de context die het bestaande personeel (mannen, in dit normatieve voorbeeld van het kerngezin) in staat stelt deel te blijven uitmaken van de beroepsbevolking (via systematische bereiding van voedsel, onderhoud van het huis, en het leveren van medische en psychologische zorg, enzovoort). Voor Alami heeft deze politieke analyse een uiterst persoonlijke resonantie, gezien zij getuige was van hoe haar moeder de structurele onbekwaamheid van de Nederlandse overheid doorliep terwijl zij probeerde kinderen op te voeden als alleenstaande moeder van Marokkaanse afkomst, en de daaruit voortvloeiende druk op de psychologische gezondheid van haar moeder, evenals de uiteindelijk maladaptieve sociale gedragingen die gepaard gaan met structureel geweld. Eenvoudig gezegd: geweld zaait geweld.

“Ik zie geen verandering gebeuren tenzij we alles afbranden.”
      – Khadija El Kharraz Alami (in gesprek met Kopano Maroga)

In Alami’s SHRINE volgt het centrale verhaal een dochter wiens moeder brutaal wordt vermoord door de staat en haar machinerieën. Haar dochter strijdt jarenlang tevergeefs voor een eerlijk proces en raakt, door frustratie en verdriet, geradicaliseerd tot directere acties tegen machtsstructuren. Tegenwoordig doet dit verhaal denken aan de hedendaagse politieke bewegingen van de afgelopen jaren die gerechtigheid zoeken tegen de roofzuchtige aard van de staat en haar instrumenten van geweld (bv. politie, leger, justitiële systemen), zoals Justice Pour Sourour: een grassrootsbeweging in Brussel die gerechtigheid zoekt voor Sourour Abouda (vrouw, moeder, zus en maatschappelijk werkster), die onder dubieuze en betwistbare omstandigheden overleed in een politiecel.
Of het recente proces aangespannen door de kinderen van de leider van de Civil Rights Movement, Malcolm X, tegen het Federal Bureau of Investigations, de Central Intelligence Agency en de New York Police Department van de Verenigde Staten, wegens medeplichtigheid aan X’s moord. In Alami’s SHRINE wordt het roofzuchtige geweld van de staat tegen onderdrukte en gemarginaliseerde mensen de katalysator voor zowel politieke als spirituele radicalisering, een echo van Federici’s voorstel dat vrouwen en heksen in het post-feodale Europa werden gedemoniseerd vanwege de politieke en spirituele macht en het potentiële antagonisme dat zij vormden tegenover de totaliteit van kapitalistische, patriarchale dominantie.

Aangezien ik SHRINE nog niet heb gezien, kan ik niet zeggen wat het wel of niet doet. Maar wat mij interesseert (misschien zelfs meer dan wat het werk doet of niet doet) is wat het werk wil. Wat is het verlangen van SHRINE? Vanuit mijn perspectief is het Alami’s verlangen om meerdere realiteiten van dood en verzet te verweven; ongekend geweld en ongelooflijke zorg; de allesomvattende, patriarchale macht van de staat en de transcendente (mogelijk matriarchale, hoewel het versterken van binaire genderpolariteiten wellicht niet het meest interessante voorstel is) macht die spiritualiteit ons misschien kan (her)geven in onze manieren van weerstand tegen onteigening, dominantie en beëindiging door de apparaten van kapitalisme, imperialisme en de staat. “Making spirituality a social threat again”, om Federici te citeren.

Delen

Beweging aan Beweging uit
Feedback?